De wraak van de grote woudbloem
In een groot bos waar slechts enkele plekken zijn waar het daglicht door durft te breken. Daar klinken stemmen op; dan weer schreeuw; dan stilte.
Wat verder op in het bos komen enkele zonnestralen door. Daar staat de woudbloem. Ze heeft het scherm van de bereklauw en de fel-rode kleur van rozen.
Niets in haar omgeving dult ze. Met haar lange ijle stengel weet ze elke indringer te omarmen, Het wordt door de legende omschreven als lekker. Het begin mischien, maar dan moet je snel weg zien te komen . . .
Daar spreekt de legende niet over. Regelmatig hoor je tot in de verre omtrek de geluiden van mensen die het uitschreeuwen van de pijn.
Het hele dorp, Rust Geen Gebrek, gelegen aan de westkant van het bos, is in rep en roer. Hun leidsman Rudie de Leeuw, een man van daden, niet van eindeloos praten, zag het als zijn taak het dorp te bevrijden. Niemand durfde mee te gaan.
Maar 20 dorpelingen gingen stiekem, want ze waren gesteld op hem, ondanks zijn woedeuitbarstingen. Vooral 's avonds hoor je zijn stem bulderen over het dorpsplein. Het geluid galmde door de Hoofdstraat via de Kleine Kleinstraat naar de Laatstestraat; zo'n 100 meter verder. Hij schreeuwde:
--"Wat een onrecht wordt ons dorp Rust Geen Gebrek aangedaan. Altijd gaat alles fout hoe goed we ook ons best doen. Waarom waarom ook altijd ik?"
Over die laatste opmerking waren zijn dierbare dorpsgenoten minder over te spreken.
Hij zou legende schrijven. Hij nam de grootste aks die hij kon vinden en een geweer geladen met 12 patronen. Hij meende dat er 12 woudbloemen gevaarlijk waren. Dat had hij gehoord van zijn oma Leda de Leeuw, nu 90 jaar, de plantenspecialiste, maar ook een betweter van het dorp.
Van zijn vader Plana, en moeder Wireke, hield hij erg veel. Wireke: --"Wil je die plant dood hebben, dan moet je het zelf doen. Andere doen het heus niet." Plana was altijd de rust zelf, wat er ook gebeurde.
--"Alles komt zoals het komt. Uiteindelijk kun je maar weinig veranderen."
En ze ging weer bomen omhakken voor de komende winter
Ze zijn omgekomen door de grote Woudbloem nu 10 jaar geleden. Dat hoorde hij van zijn geliefde vrouw Vera die hem rust gaf, zelfs in verhitte vergaderingen.
De kwestie woudbloem splitste de dorpelingen in twee kampen die maar niet tot een besluit konden komen wat te doen met de grote woudbloem. De vergadering over de grote Woudbloem was een keer per jaar.
De ene helft zo'n 200 mannen en vrouwen, had als aanvoerde zijn schoonvader Karel De Heremiet:
--"Laat ze leven. Als we ze met rust laten, vallen ze ons niet aan.
De andere helft, 150 man, had als aanvoerder Rudie, maar vooral zijn geliefde vrouw Vera.
De vergadering begon met Rudie's luide stem:
--"Als we groter willen worden als dorp, en vreemden willen toelaten, moeten we ook bereikbaar zijn via het bos. Aan de westkant is immers alleen water, en er komt hier nauwelijks een schip, laat staan een driemaster. Andere dorpen kunnen we niet bereiken omdat velen de reis door het bos niet hebben overleefd, of niet meer zijn teruggekomen. Dus geen handeldrijven met bv Springduf in het oosten, of met de kolenmijn Kringendijk in het zuiden, voor het goud en geneeskrachtige planten.
--"We moeten door het bos en, velen van ons zijn gedood door de Grote Woudbloem."
Karel de Heremiet antwoordde steevast:
--"We willen geen doden. We willen rust. Jullie moeten gewoon ophouden. Wij stemmen tegen, en winnen, want wij zijn in de meerderheid."
Rudie wilde hun leider blijven en koos eieren voor zijn geld mede op aandrang van Vera die zei:
--"We moeten ons verstand blijven gebruiken dan vinden we vanzelf een oplossing."
Vervolgens kwamen de ander zaken aan de orde zoals burenruzies en belasting enzovoorts. Daar kwamen ze altijd wel uit.
Het wachten op de oplossing had hem nu te lang geduurd. De volgende morgen vertrok hij om 4 uur 's ochtends. De zon was nèt boven de horizon verschenen, en iedereen lag nog te slapen. Het was rustig niemand liep buiten.
Na 20 kilometer had hij de bosrand bereikt en 20 kilometer verder had hij het midden van het bos bereikt. Daar zouden ze moeten groeien.
Met de duisternis nog in zijn ogen, kneep hij zijn ogen dicht. Na het wennen aan het licht, stond hij oog in oog met deze reuzeplant. De slag kon beginnen.
Ik sla ze tot moes, dacht hij, een geweerschot is me te fijnzinnig voor al dat leed dat deze woudboemen ons hebben aangedaan. Dat geweer kan ik altijd nog wel gebruiken op de terugweg, om te kunnen eten, en me mischien te verdedigen.
Niets zou hij willen laten gaan. Zijn rechterhand omklemde de aks. Zijn vingers werden er wit van. Zijn gezicht kleurde rood, en leek twee keer zo groot te zijn geworden.
De bijl ging de lucht in. De eerste slag was een feit. De bijl suisde door de lucht. De bijl maakte nog een tweede zwaai naar de vertikale tien centimeter dikke stengel. Daar aangekomen barste de stengel open. De stengel herstelde zich. De volgende slag was al onderweg. Ook deze slag was raak, ondanks zijn vermoeidheid. Bij de derde slag bezweek de plant.
Nu was Rudie heel gelukkig. De volgende vijf planten bezweken op dezelfde manier. Hij dacht nog: 'Dat gaat goed, ik ben zó aan die 12 woudbloemen.
Plotseling leken de planten zich te beraden op een plan. Ze bewogen geheel uit zichzelf. De bladeren bewogen naar elkaar, dan weer van elkaar af, terwijl er geen wind stond. Het was stil; onheilspellend stil.
Dan ineens viel een plant Rudie van achteren aan toen hij op het punt stond om de zevende plant te dodelijk te treffen met zijn aks. Hij verzette zich hevig, maar het mocht niet baten. De lange stengel strengelde zich om zijn linkerarm. Een andere plant om zijn benen, en zo omhoog in de richting van zijn nek. Hij wilde nog zijn geweer pakken, en schieten. Er volgende een schot. Hij hoorde een schreeuw. Maar dat was zijn vrouw.
--"Waarom jij Vera . . . Ik had nog zo gezegd . . . laat mij alleen sterven als . . . "
Toen volgde nog enkele schoten, en werd er lustig op los gehakt met bijlen door de toegesnelde dorpelingen. Ze hadden hem onzichtbaar gevolgd.
Vera heeft het overleefd. Rudie de Leeuw is bevrijd uit de stengels om zijn armen benen en hoofd.
Zijn vrouw was licht gewond. Ze snelde toe, en legde zijn blauw-aangelopen hoofd met de naar adem happende mond op haar schoot. Haar hand streelde zachtjes over zijn voorhoofd.
Ze probeerde de plant om zijn nek te verwijderen, maar hoe harder ze trok, hoe meer de plant zich om Rudies nek klemde. Uiteindeljk lukt het haar de plant te verwijderen.
Hij wilde wat zeggen, maar zij zei:
--"Spaar je krachten. Je moet hier blijven. Ik hou van jou."
--"Ik ook."
Ze hoorde zijn laatste ademtocht.
Toen schreeuwde ze het uit:
--"Waarom Rudie? Waarom jij? Waarom niet ik? Waarom?"
© 2004 Jeroen van Eyk
|