|
Mevrouw Hermens, Zou u deze brief bij Prof. Ackermans kunnen bezorgen? Met vriendelijke groet, Prof. Ir. G.H.A. van Eyk Aan Prof. dr. S.T.M. Ackermans* Eindhoven, 20 juni 1994, Beste Stan, Na mijn korte bevestiging van de goede ontvangst van je brief en je fax, kom ik toe aan een wat meer uitgebreide reactie. Zowel in je brief als in je fax zet je de drie belangrijkste voordelen voor ingenieurs helder neer. Daar ben ik het volledig mee eens en de formulering vind ik uitstekend/prachtig. Het wijst mij er echter op dat ik meer oog had voor de 'andere' aspecten van de relatie wiskunde/ingenieurs dat voor de kernpunten die jij opsomt. Ik verwaarloosde, zogezegd, het fundamenteel 'goede' van de wiskunde voor ingenieurs ten gunste van een soort 'oneigenlijk gebruik' van wiskunde, waar, overigens, toch 'goede' kanten aan kunnen zitten. Dat nader te profileren is het doel van mijn passages over wiskunde omdat die van invloed zijn op de didactiek, zowel voor ontwerpers als, meer algemeen, voor ingenieurs. Zo'n oneigenlijk gebruik is bv de afbakening die men er mee probeert (probeerde) te maken om 'wetenschappelijke-' van 'technische' ingenieurs te onderscheiden: Wij doen meer aan wiskunde . . . dus . . . Het is natuurlijk heerlijk als je je in het maatschappelijke duw- & trekspel van 'wie-is-belangrijker-?' kunt beroepen op je unieke relatie met een onbetwiste wetenschap (een wetenschap "sui generis") Een ander oneigenlijk gebruik is binnen de ingenieursopleiding zichtbaar omdat wiskunde (en daarvan slechts een heel specifiek gedeelte!) zich zo lekker leent tot 'keiharde' maatstaven om te selecteren. Enerzijds (1) wordt ermee geselecteerd wie 'binnen' en we 'buiten' valt. Als je niet goed met wiskunde overweg kunt, kun je geen ingenieur worden! Anderzijds (2) wordt het gebruikt om de rangorde tussen de studenten van een examenzitting te bepalen op een eenvoudige, eenduidige en 'teacher proof' manier, zoals onze bureaucratische organisaties dat nu eenmaal vereisen. Bij de doelstelling van (1) plaats ik weinig vraagtekens, bij (2) heel wat meer, maar waar het mij vooral om gaat, is dat het gevolgen heeft voor de keuze van de betrokken hoofdstukken uit de wiskunde. Jij vervat mijn probleem in de brief met de woorden: "Zij (wiskunde als rijke bron van rationalistische methoden) blijkt de geest zo te kunnen beïnvloeden dat creativiteit schade kan lijden. Hier is voorzichtigheid geboden en zou in de opleiding tegenwichten aangebracht moeten worden: mathematiek vs esthiek vs esthetiek bijv."In de fax schrijf je: "De wiskunde biedt een fascinerende hoeveelheid denkmethoden, maar . . . die zijn alle van logisch rationalistische aard. Daarvan veel aanbieden in een programma waarin geen aandacht voor tegenhangers in intuïtie, gevoel en esthetiek voorkomen, kan in zijn meeslependheid, tot een deformatie van de creativiteit leiden. Oppassen dus."Roerend mee eens. Ik schat de oorzaken en de remedies wat anders in, maar dat is een mooi punt voor nadere discussie. De wiskunde zelf biedt immers ook grote mogelijkheden voor de ontwikkeling van creativiteit, maar niet iedereen laat zich daardoor fascineren. Zeker niet de student-ingenieur die binnen een bureaucratische opleiding en maatschappij, waar het bezitten van een bepaald papiertje en een 'bewezen hoge score' t.o.v. de medestudenten een dominante rol spelen. Mijn vraag is nu of deze (oneigenlijke?) aspecten aan de orde komen in het SEFI overleg over de rol van wiskunde in de ingenieursopleidingen. (Nee, ik heb daarover geen aantekeningen van jou. De notitie in mijn concept was bedoeld zo'n aantekeningen van jou te bekomen. Jij sprak mij wel van het bestaan van zo'n overleg cq nota's) Houdt men daar onverkort vast aan de rationele denkketen die de wiskundigen hier in Delft ten tijde van de herprogrammering huldigden?: Alleen wiskunde die 'nodig' is? De ingenieur heeft kennis van de natuurkunde nodig en daarvoor is een bepaalde hoeveelheid wiskunde 'nodig'. Men had er geen oog voor het taal-aspect, noch voor de onderliggende denktraining. Ik zou zelf voor aspecten van ballotage cq ontgroening om tot de (europese) ingenieursstand te worden toegelaten waardering hebben kunnen opbrengen. Zou je, heel concreet, iets kunnen zeggen van het SEFI overleg in deze; in de vorm van bronverwijzingen en (voor mij) enkele highlights. Wat is er gebeurd? Komen deze 'oneigenlijke' aspecten, al of niet expliciet, aan de orde? En andere vogelvlucht- & kritiek-opmerkingen. Een andere vraag, waar ik je niet over hoor, is of het doceren --van een meer geformaliseerde methodologie voor/van de ingenieurs- en ontwerpwetenschappen-- sommige van de rollen van de wiskunde kan overnemen. Zo ja, welke? Tenslotte ben ik blij met je steunende opmerkingen bij mijn didactiek paragrafen. Ik zal daarvan de hoofdschotel maken, maar wiskunde en andere ingenieursvakken betrek ik daarbij omdat het om een totale didaktiek gaat. Hartelijke groet, Gérard * Dit is mijn brief aan Stan Ackermans als antwoord op de brief en de fax van resp. 5 juni en 8 juni 1994 [terug naar aanhef] |