|
[over Hamlet èn over mens-produktrelatie, GVE]
Prof. ir. G.H.A. van Eyk* Postbus 809 5600 AV Eindhoven/ PAYS-BAS 1 Sept 1994 Cher Gérard, ik ben twee dagen in Oegstgeest, zaterdag weer in Corpoyer; maar ik kon nu even een paar dingen voor je nakijken. Ten eerste: Shakespeare, HAMLET Act=II, scene 2. (Te mooi om niet even geheel te citeren. Hamlet komt lezende op; er ontspint zich een gesprek tussen Hamlet en Lord Chamberlain Polonius:)
Ten tweede: op 18 december 1964 had de ontmoeting met Joost van der Grinten plaats in Libresso en wel om 17 uur n,m, (Lange Voorhout, Den Haag). Als de term 'mens-produktrelaties' toen niet viel (ik neem direkt aan, dat Hans Dirken's aantekeningen op dit punt juist zullen zijn), het begrip was er meteen - en wel door de volgende oorzaak: ik had sinds jaren intensief met toneel te maken gehad en al in 1949 (ook die datum kan ik terugvinden, als het moet) onderging ik een schok, die in het gesprek met Joost krachtig doorwerkte en dat eigenlijk mijn levenlang is blijven doen. Voor het eerst kreeg ik, voor de montage van een toneelstuk in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag, toegan tot de requisitenverzameling van de Schouwburg. Ik had een 18e-eeuws stuk te regisseren en bevond mij nu ineens temidden van tientallen, zelfs honderden, gebruiksprodukten, stukken meubilair, artikelen van allerlei aard: alle specifiek behorende bij bepaalde tijdvakken. Ineens gaf ik mij er rekenschap van, hoezeer op het toneel harmomie ('eenheid') diende te bestaan tussen de spelers in het stuk en de materiële aankleding waarbinnen de handeling zich afspeelde: de wijze van bewegen, van lopen, van gaan-zitten, wijze van praten ook, de gestes (gebaren) natuurlijk, en dan, overkoepelend, de wijze van 'zijn' als geheel. Zeker ben ik mij, in die periode van intensief denken over deze totale samenhang, ook voor het eerst rekenschap gaan geven van mijn eigen achtergronden in bovenaangeduide context. Ongewone achtergronden nogal, maar dat ben ik mij toen pas echt bewust geworden. Toen mijn vader overleed, was ik twee jaar (zie: De lange Weg, I, 383) en enkele jaren later hertrouwde mijn moeder en kreeg ik dus mijn stiefvader. Mijn zuster en ik hebben erg veel van hem gehouden (dit doet er hier natuurlijk niet toe maar het ontviel mij zo). Mijn stiefvader was heel veel ouder dan mijn moeder: hij was geboren in 1867 en begon in 1895 zijn specialistenpractijk in Den Haag (hij overleed in 1934, tien jaar na zijn huwelijk met mijn moeder). Maar wij verhuisden in 1924 natuurlijk naar zijn practijkhuis en daar trad ik als heel klein kind ineens de 19e eeuw binnen; en daarmee bedoel ik: een stijl van woninginrichting, een stijl van kleden (jacquet!), zich gedragen, zich bewegen ook (en honderd dingen en gedragingen) enz enz. Dat alles kan ik, in elk geval vanavond, niet zo goed onder woorden brengen maar ik hoop dat je het toch wel een beetje vóór je kunt zien. Eigenlijk ben ik pas door het toneel, zoals ik mijzelf net beschreef, echt attent op dit fenomeen geworden. Op mijzelf ook als voor een wezenlijk deel, kind van de vorige eeuw - minstens van vóór 1914. Ik ben de samenhang en de eenheid gaan zien van wat, met één term, levensstijl wil zeggen. Tot ik in 1956 naar Groningen ging, bleef ik intensief met toneel bezig en daarin, specifiek, met dit probleem van 'eenheid van levensstijl' in (voortdurend evoluerende) historische perioden. Op die grond stond ik, toen het gesprek met Joost van der Grinten plaats had. Een term 'm-p.-relaties zal ik niet gebruikt hebben; maar heel zeker viel de gedachtenwisseling met Joost van die 18e december in déze vruchtbare grond. Ik begreep wel dat er zekere aanpassingen en nader te specificeren invalshoeken voor 'Delft' van mij verwacht werden, maar mij leken die aanpassingen geen majeur probleem, waar de grondslagen voor mij zó duidelijk lagen. Op donderdag 8 en vrijdag 9 april trad ik voor het eerst in Delft op om, op verzoek van Joost, in acht uren gastcollege (2 des ochtends en 2 des middags) mijn kunsten te vertonen, waaruit dan door de nieuwe sectie (binnen Bouwkunde toen nog) de conclusies zouden worden getrokken over de eventuele verdere relaties met Baudet. Blijkbaar viel daar het oordeel positief uit en zo werd ik geëngageerd om jaarlijks een blokcollege van enkele dagen te verzorgen. Die begonnen op vrijdag 18 maart 1966 en werden weldra uitgebreid tot twee series jaarlijks, de ene in het voorjaar, de andere in het najaar. Dat bleef zo jarenlang - als ik mij niet vergis, tot 1981. Toen bracht mijn benoeming als buitengewoon hoogleraar in Delft méér inschakeling in het curriculum mee en kreeg ik ook afstudeerders, die dan begeleid werden tot hun ingenieursexamen. Nu eerst even over die naamgeving. Ja, hoe moest dit zelfbedachte vak dan heten? Ik herinner mij, dat de eerste jaren nogal wat geswitched werd. De inhoud mocht dan volkomen duidelijk zijn, en van meet af aan, maar welke naam daar dan het best bij paste was niet zo eenvoudig. In welk jaar ik op M/P-relaties ben gekomen, weet ik niet meer, wél, en daar ging het in ons gesprek om, dat het van de eerste dag tot de laatste - mijn afscheidscollege, 1987 - om (of: over) één-en-dezelfde zaak is gegaan. En je ziet nu misschien een beetje vóór je, wat die 'zaak' dan eigenlijk was. In mijn gesprek met Joost stond mij eigenlijk meteen alles voor ogen wat ik Delft eventueel zou kunnen bieden. En daar ben ik bij gebleven - en Delft ook. Dit dan is de achtergrond van óns gesprek hierover. Ik wil daar nog bij zeggen, dat ik mij ook altijd ervan bewust ben geweest dat ik tussen ingenieurs en toekomstige ingenieurs een wat vreemde vogel was en zou moeten blijven. Wilde blijven ook, uit overtuiging, dit dit een zeker tegenwicht, hoe bescheiden ook, zou kunnen worden voor een leven van ingenieurs met grote technische kennis em capaciteiten maar gering gevoel voor approaches als de mijne, die toch een wezenlijke bijdrage zouden kunnen leveren aan hun werkzaamheden als ontwerper. Vanzelfsprekend voor de één meer dan de ander. Maar van vele oudstudenten uit Delft heb ik in de loop der jaren positieve reacties ontvangen - juist- bij diepergaande gedachtenwisselingen. Ik vind het jammer dat mijn opvolger meteen een andere weg is opgegaan - niet omdat wat hij doet niet waardevol zou zijn (daarover het ik uiteraard geen oordeel en zelfs geen mening, want hij laat nooit iets van zich horen); maar omdat mijn specifieke mens-product approach, voorzover ik zien kan, nu uit de opleiding is geëlimineerd. Dat acht ik een verlies. Nou, dat was dan de (niet zo) korte samenvatting van een lang verhaal, waaruit de eenvoudige conclusie mag volgen dat als de term M/P-relaties er niet direct is geweest, de inhoud ervan al bepaald was in het eerste gesprek met Joost op 18 december 1964. En daar gaat het natuurlijk om. Ik had zin om je, nu ik vanavond even tijd heb, enigszind uitvoerig te schrijven hierover - in de lijn van ons, omgekeerd, ochtendgesprek in Corpoyer vóór je afreisde naar Eindhoven. We zijn nu eenmaal in de sfeer geraakt van wat persoonlijke ervaringen. In die lijn ligt dan ook deze brief. Jouw text heb ik hier niet bij mij; ik denk op de wezenlijkste punten te zijn ingegaan. Als ik iets heb vergeten, dan meld ik mij nog wel even in het week-end. Dan ben ik weer terug in Corpoyer. Van daar verzend ik deze brief, want ik heb je adres niet eens hier . . . Ciao! Han *Dit is de brief die Han Baudet mij schreef nadat ik hem in Corpoyer had opgezocht. Het was een bevestiging --en een detaillering-- van het gesprek over de mens/produktrelatie als 'huismerk' van IO. Tevens zou hij voor mij de juiste bron van de uitdrukking "method behind the madness" opzoeken. De brief is getypt op papier van de Afdeling Industrieel Ontwerpen, kennelijk door hemzelf. Mijn adres, datum en handtekening zijn handgeschreven. Onderstrepingen zijn van Han. Hier en daar pencorrecties. [terug naar aanhef] |