Milan Kundera, La ignorancia, Hoofdstuk 1(volledige vertaling) --"Wat doe je hier nog?" -Haar stem was zonder kwaadaardigheid, maar evenmin was ze liefdevol; Sylvie begon haar geduld te verliezen. --"Waar zou ik dan moeten zijn?" -vroeg Irena. --"In je land natuurlijk!" --"Ben ik dan niet in mijn land?" Natuurlijk wilde zij haar niet het land uit, en natuurlijk vond ze haar geen ongewenste vreemdeling. --"Je begrijpt me best!" --"Natuurlijk begrijp ik je, maar vergeet je niet dat ik hier mijn werk heb, mijn huis en mijn dochters?" --"Luister nou eens naar mij. Ik ken Gustaf. Hij zal alles voor je regelen als je terug wil naar je land . En wat je dochters betreft, hou op met die verhalen! Die hebben al lang hun eigen leven. Mijn god, Irena, wat er in jouw land gebeurt is zo fascinerend. In zo'n situatie komen zulke dingen altijd voor elkaar". --"Maar, Sylvie, het gaat niet alleen om die praktische dingen, mijn werk en mijn huis. Ik leef hier al twintig jaar. Hier heb ik mijn leven". --"In je land maken ze een revolutie mee!" Ze zei het op een toon die geen tegenspraak duldde. Daarna zweeg ze. Met die stilte wilde ze Irena duidelijk maken dat ze niet moest weglopen van zulke grote gebeurtenissen. --"Maar, als ik terugga naar mijn land, zien wij ons nooit meer", zei Irena om haar vriendin in een moeilijk parket te brengen. Die maneuvre miste haar doel niet. De stem van Sylvie werd milder --"Mijn liefste Irena, natuurlijk kom ik je opzoeken. Ik beloof het je. Ik beloof het je!" Ze zaten een tijdlang schouder aan schouder tegenover twee lege koffiekoppen. Irena zag tranen in de ogen van Sylvie toen die zich naar haar overboog en haar in de hand kneep: --"Het zal een grote terugkeer zijn". En zij herhaalde: "Jouw grote terugkeer". Door de herhaling troffen die woorden zo diep dat Irena ze met hoofdletters zag geschreven: De Grote Terugkeer. Ze hield het niet meer tegen. Ze werd overweldigd door beelden uit oude films en boeken. Uit haar eigen geheugen of misschien wel dat van haar voorouders. De verloren zoon die zijn oude moeder terugvindt. De man die terugkeert naar zijn geliefde vanwaar een wreed lot hem had weggerukt. Het geboortehuis dat ieder inzijn hart draagt. Het terugvinden van vergeten sporen van de kindertijd. De dolende Ulyses die terugkeert naar zijn eiland; na vele jaren zwerven. De terugkeer, de terugkeer. De grote magie van de terugkeer. Hoofdstuk 2 (uittreksel-samenvatting) In dit hoofdstuk gaat Kundera vijf pagina's lang in op de griekse oorsprong van het woord 'nostalgie' en vergelijkt verschillende betekenissen in diverse talen. Het is een combinatie vanpijn en van terugkeer. Het is het lijden wegens het 'niet-weten'. "Jij bent ver weg en ik weet niet hoe het met je gaat" en "Mijn land is ver weg en ik weet niet wat er gebeurt". De Odyssee is het epos waarop het begrip nostalgie in onze cultuur is gefundeerd. Ulyses was niet alleen de grootste avonturier, maar ook de grootste nostalgicus. Hoezeer hij ook van Calipso hield, hij verlangt toch terug naar Itaca en Penelope. Het avontuur en de oneindigheid die hij met Calipso beleefde laathij minder wegen dan terugkeren naar het bekende. Homerus verheerlijkte de nostalgie en creëert een morele hiërarchie. Penelope is hoogverheven boven Calipso. De pijn van Penelope, waarmee Ulyses slechts kort het bed had gedeeld, weegt daarom zwaarder dan de tranen van Calipso. Hoofdstuk 3 (samenvatting) Het is onmogelijk om de beleving van Irena in Frankrijk te begrijpen als je niet vooraf de belangrijke feiten uit de europese geschiedenis van deze eeuw hebt geanalyseeerd. De russische bezetting van 1969 die zonder einde leek, verdween opeens in 1989, zonder geweld. Niemand had daarop durven hopen. Maar in de jaren vijftig en zestig stonden de vluchtelingen uit de communistische landen niet in hoog aanzien. Voor de Fransen vantoen was het enige werkelijke kwaad het fascisme, Hitler, Mussolini, het Spanje van Franco en de zuidamerikaanse dictaturen. Pas einde zestig, en gedurende de jaren zeventig begon men langzaam ook het communisme als een kwaad te zien, als was het een tweede-rangskwaad. Als Irena en haar man in 1969 in Frankrijk aankomenbegrepen ze al vlug dat, wat hun was overkomen in vergelijking met kwaad nummer een, niet bloedig genoeg was om indruk op hun nieuwe vrienden te maken. Om de ernst van de zaak toch duidelijk te maken zeiden ze meestal dat weliswaar het fascisme een groot kwaad was, maar dat het met het verdwijnen van de dictator ook zou verdwijnen. Daarentegen werd de onderdrukking van het communisme gesteund door de oneindig grote russische cultuur en dat is voor de kleine landen een tunnel zonder einde. Dictators zijn sterfelijk, Rusland is oneindig. Het kwaad in die landen is de absolute afwezigheid van enige hoop. Zij vergisten zich. Natuurlijk, want alle voorspellingen vergissen zich. Maar als die zich al vergisten in de toekomst die ze voorspelden, dan spraken ze wel de waarheid over wie die voorspelling deed, want daarmee kun je begrijpen hoe die mensen hun tijd beleefden. Tussen 1918 en 1938 was de Tsjechische Republiek onafhankelijk en men geloofde dat die eeuwig zou duren. Maar ze vergisten zich, maar juist daardoor beleefden ze een bloeitijd als nooit tevoren. Hoofdstuk 4 (uittreksel) Al in de eerste weken na haar emigratie had Irena vreemde dromen. Ze bevond zich in een vliegtuig dat van richting veranderde en op een onbekend vliegveld landde. Geüniformeerde wachtten haar op. Met koud zweet op haar voorhoofd herkende ze de Tsjechische politie. Een andere keer, in een klein frans stadje, en ziet een vreemde groep vrouwen op haar afkomen, allemaal met een bierpul in de hand. Ze ondervragen haar in het Tsjechisch, lachen kwaadgezinden verschrikt ontdekt Irena dat ze in Praag is. Ze wordtgillend wakker. Martin, haar man, had dergelijke dromen. Iedere ochtend vertelden ze elkaar die schrikbeelden van terugkeren. In een gesprek met een poolse vriendin, ook geëmigreerd, begreep Irena dat alle emigranten zulke dromen hadden. Die nachtelijke verbroedering met onbekende mensen ontroerde haar in het begin. Later ergerde zich eraan. Hoe kun de intieme ervaring van een droom samenbeleven? Waar blijft je unieke ziel? Een ding was ze zeker: duizenden emigranten droomden, met ontelbare varianten, dezelfde droom. De droom van de emigratie, een van de meest vreemde fenomenen van de tweede helft van de 20e eeuw. Die nachtmerries waren voor haar des te vreemder omdat zij tezelfder tijd leed aan een onbedwingbare nostalgie en daarin beleefde ze het tegendeel. Overdag verschenen mooie beelden van haar land. Datwaren geen bewuste dagdromen, het was iets anders. Die landschappen verschenen zomaar en verdwenen een ogenblik later. Terwijl ze met haar chef praatte zag ze opeens, als bliksemflits, een weg dwars door een veld. In de metro, in een fractie van een seconde, verscheen een beschaduwd bomenlaantje in een Praagse buitenwijk. Dat gebeurde de hele dag, om het verlies van haar verloren Bohemen de verzachten. De onderbewuste regiseur die haar overdag gelukkige beelden stuurde van haar geboorteland, projecteerde 's nachts het angstaanjagende terugkeren. De dag toonde haar het verloren paradijs, de nacht de hel die ze had ontvlucht. Hoofdstuk 5 (volledige vertaling) In overeenstemming met de tradities van de franse revolutie, spraken de communistische landen de banvloek uit over de emigratie en beschouwden het als verraad. Iedereen die in het buitenland was gebleven, werd bij verstek veroordeeld en zijn landgenoten waagden het niet contact met hen te onderhouden. Niettemin verzwakte die banvloek met het verstrijken van de jaren. Enkele jaren voor 1989 kreeg de moeder van Irena, inmiddels weduwe en een onschuldige gepensioneerde, een visum van het staatsreisburo om een week naar Italië te gaan. Het jaar erna besloot ze om vijf dagen in Parijs door te brengen om aldus, onopvallend, haar dochter te zien. Ontroerd en vol medeleven met haar moeder die ze zich als heel oud mens voorstelde, reserveerde zij een hotelkamer en nam enkele vakantiedagen op om de hele dag bij haar te kunnen zijn. --"Je ziet er niet slecht uit", zei de moeder toen ze elkaar zagen, "Maar van de andere kant, ik ook niet. Toen de douane mijn paspoort bekeek zei hij: Uw paspoort is vals mevrouw! Dat kan nooit de datum van uw geboorte zijn!" Irena herkende opeens haar moeder zoals ze haar altijd had gekend; ze voelde dat er niets was veranderd in die bijna twintig jaar. Plotseling vervluchtigde het gevoel van compassie voor haar oude moeder. Dochter en moeder stonden tegenover elkaar als twee buitentijdse wezens, als twee klassieke rollen. Maar, misschien is het niet zo vreemd dat een dochter niet zonder meer blij is met de aanwezigheid van haar moeder die haar, na zeventien jaar, komt bezoeken. Irena mobiliseerde al haar redelijkheid enmorele gevoelens om zich te gedragen als een voorbeeldige dochter. Zij nam haar mee naar het restaurant op de eerste étage van de Eiffeltoren; ze bekeken met eenrondvaartboot Parijs vanuit de Seine; en, toen haarmoeder tentoonstellingen wilde bezoeken, nam zij haar mee naar het Picasso Museum. In de tweede zaal bleef ze staan: "Ik heb een vriendin die schildert. Ik heb twee schilderijen van haar gekregen. Je kunt je niet voorstellen hoe mooi die zijn". In de derde zaal wilde ze de impressionisten zien: --"In het Jeu de Paume is een permanente tentoonstelling". --"Dat bestaat niet meer", zei Irena, "de impressionisten zijn tegenwoordig verspreid over verschillende musea". --"Nee, nee", zei ze. "Ze zijn in het Jeu de Paume. Ik weet het zeker en ik ga niet uit Parijs weg zonder de Van Goghs gezien te hebben". Om de afwezigheid van de Van Goghs te verzachten, nam Irena haar mee naar het Rodin Museum. Bij een van de beelden verzuchtte zij dromend: --"In Florence heb ik de David van Michel Angelo gezien, adembenemend!". --"Je bent nu in Parijs", barste Irena los, "met mij. Ik heb je meegenomen naar Rodin, naar Rodin! Hoor je me? Je hebt die nog nooit eerder gezien. Waarom denk je aan Michel Angelo als je bij een beeld van Rodin staat?" Dat was de juiste vraag: waarom interesseert de moeder zich niet voor wat haar dochter haar laat zien, als ze haar na zoveel jaar terugziet? Waarom fascineert Michel Angelo, die ze met een groep tsjechische toeristen heeft gezien, haar meer dan Rodin. En waarom heeft ze in al die dagen geen enkele vraag gesteld aan haar dochter? Geen enkele vraag over haar leven, evenmin over Frankrijk, de franse keuken, de literatuur, de kaas, de wijn, de politiek, het theater, de films, de auto´s, de pianisten, de violoncellisten, de atleten? Zij hield daarentegen niet op over Praag, over het halfbroer van Irena (de zoon die ze kreeg van haar tweede man die kortgeleden was overleden), over mensen die Irena zich herinnerde en over anderen waarvan ze de namen nog nooit had gehoord. Twee of drie keer had Irenaeen opmerking gemaakt over haar eigen leven in Frankrijk, maar haar woorden hadden het naadloze schild van het gepraat van haarmoeder niet kunnen doorboren. Zo ging het al vanaf haar jeugd. Terwijl de moeder liefdevol haar zoon verzorgde, alsof het een meisje was, nam ze tegenover haar dochter een mannelijk spartaanse houding aan. Wilde daarmee zeggen dat zeniet van haar hield, misschien door de schuld van de vader van Irena, haar eerste man, die ze een verachtelijk wezen vond? Laten wij ons wachten voor dergelijke prul-psychologie. Haar gedrag kon echter niet doelgerichter zijn, overvloeiend van kracht en gezondheid, maakte zij zich zorgen over het gebrek aan vitaliteit van haar dochter. Met haar ruwe manieren wilde haar dochter minder hypergevoelig maken, een beetje zoals een sportieve vader die zijn timide zoontje in het zwembad gooit, overtuigd dat dat de beste manier is om te leren zwemmen. Toch wist zij heel goed dat ze haar dochter in de hoek drukte, alleen al door haar aanwezigheid. Ze kon niet ontkennen dat ze in stilte genoot van haar fysieke superioriteit. En dan nog? Wat kon ze anders doen? Zich vernederen uit naam van de moederliefde? Ze werd onverbiddelijk ouder, en de bewustheid van haar kracht, zoals dat uit de reakties van Irena bleek, verjongde haar. Als ze haar dochter naast zich zag, geïntimideerd en gehandicapt, verlengde zij waar ze maar kon de momenten van haar afbrekende kritiek. Met een vleugje sadisme, deed ze net alsof de broosheida van Irena onverschilligheid was, of luiheid of laksheid, en berispte haar daarvoor. Irena had zich altijd al minder knap en minder intelligent gevoeld in haar nabijheid. Hoe vaak was ze niet naar de spiegel gehold om zich ervan de overtuigen dat niet lelijk was of dat ze nietvoor gek liep. Aj, dat kwam allemaal van heel diep, bijna vanuit de vergetelheid. Maar gedurende die vijf dagen dat haar moeder in Parijs was, overvielen haar opnieuw die gevoelens van minderwaardigheid, van zwakte en van afhankelijkheid.